de Verhalen
Iedere berg heeft zijn eigen verhaal.down
Mijn verhalen én de foto's als bewijs van
het behalen van de top van de Cols zijn hieronder aan te klikken.
|
||||
de
Passo di Stelvio |
24 juli 1989 |
Vanuit de camping in Tarces moet ik eerst nog afdalen
naar de T-splitsing in Spondigna, waar de klim begint. Een bord
met de tekst 'Passo di Stelvio Aperto' stelt me gerust. De kim kan
inderdaad beginnen. Bij het passeren van het eerste stadje, Prato
allo Stelvio, brandt de zon al aardig. Toch is het fris als ik langs
de snelstromende rio Solda fiets. Het stijgingspercentage begint
toe te nemen. Even voor Trafoi, als ik de bossen uit fiets, schitteren
voor het eerst de de sneeuw- en ijstoppen me tegemoet. Ik heb er
13 km opzitten en de eerste genummerde haarspeldbocht, nummero 48,
laat zich zien. Het klimmen gaat prima. Ik heb al 2 eenzame fietsers
ingehaald. een fietser die enkele haarspeldbochten hoger rijdt en
die bij ieder oogkontakt een luide herkenningskreet slaakt, zal
ik niet meer inhalen in het verloop van de klim. Constant is 10%
het stijgingspercentage. Bij iedere haarspeldbocht probeer ik de
buitenbocht te nemen om zo wat energie te sparen. Dan wordt ik ingehaald
door 5 Zwitserse wielrenners. 'Grüss Gott' hoor ik vijf keer
mompelen. Maar ik doe niet aan Duitse groeten, dus 5 keer antwoord
ik vriendelijk 'hallo'. Ik heb er 18 km opzitten en het meest indrukwekkende
deel begint. Enkele stukken moet ik 13% klimmen. Ik heb niet kleiner
dan |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
juli 1996 en juli 2000 |
Twee maal heb ik de Mont Ventoux beklommen. De eerste
keer in 1996 deed het heel veel pijn. Ik ben boven gekomen, maar
vraag niet hoe. Ik moest 2 km onder de top van de fiets en dan vind
ik eigenlijk dat je niet kunt zeggen dat je de col fietsend hebt
'veroverd'. De tweede keer verliep een stuk beter. Zonder afstappen
en nog helemaal niet stuk, stapte ik op de kale berg af bij het
'snoepstalletje'. Beide keren was ik uiteraard begonnen in Bedoin
en beide keren reed ik daar op het heetst van de dag, tussen ongeveer
12 en 2 uur 's middags. |
|
Klik voor grotere foto |
|
|
|
|
13 juli 1988 |
|
Vanaf een camping in Valbonnais fietsten Hans
en ik op onze Peugeot racefietsen richting de Alpen. |
Klik voor groter formaat foto |
|
|
|
|
de Tourmalet
oostzijde |
18 juli 1994 |
De fiets werd op de Twinny-load gezet en met de auto reed
ik naar de top van de Col d'Aspin. Het plan was eerst hard van de
Aspin af te dalen en daarna aan de Tourmalet te beginnen. Daarna
uiteraard de omgekeerde route. Het plan pakte anders uit. |
Klik voor groter formaat foto |
|
|
|
|
|
|
de Tourmalet
westzijde |
16 juli 2004 |
Op 2 dagen na was het precies 10 jaar geleden dat ik de Tourmalet had beklommen. Toen vanaf de oostzijde, nu was de westzijde aan de beurt. Vandaag reed ik niet alleen, maar samen met Edward en Frans. We vertrokken vanaf de camping in Luz St. Saveur en vanwege onze shirts en afkomst hadden we ons zelf gedoopt tot Team Delfts Blauw. We hadden 2 doelen. Natuurlijk de top halen, en daarna nog een paar kilometer afdalen naar La Mongie om de finish van de Tour de France-etappe te zien. De beklimming was indrukwekkend. Op de flanken van de Tourmalet waren veel medefietsers, vooral Spanjaarden en Amerikanen. Na de passage van het dorp Barèges begon de klim pas echt en zagen we een kilometerlange beklimming afgetekend liggen in het ruige Pyreneeënlandschap. We passeerden een ruim honderd kilo wegende Amerikaan, die tierend langs de weg stond met een gebroken frame. Had ik nog nooit gezien!! Die kon de beklimming vergeten. De beklimming was in de warme zon zwaar, lange stukken met 8 of 9 % stijging. Haarspeldbochten waren maar sporadisch aanwezig. Meestal zijn dat de aangewezen plekken om weer een beetje op adem te komen, een slok water te nemen en een hap komkommer naar binnen te werken. De 18 kilometer lange klim begon zijn tol te eisen. Ik was genoodzaakt om terug te schakelen. Toch kwam ik vergeleken met 10 jaar geleden redelijk fris boven. Het was op de top een gekkenhuis. Zoveel fietsers die net als wij op de foto wilden voor het bord met de 2115 meter hoogte-aanduiding. Wat nieuw voor mij was, was het afgrijselijk lelijke beeld van een fietser die pontificaal op de top stond. Na een korte stop waarin we naast het eten van de muesli-repen van Champion, het supermarktconcern dat mede-sponsor is van de Tour-de-France, ook actiefoto's op onze ATB maakten, daalden we aan de oostzijde af. We zagen onder ons al duizenden auto's geparkeerd staan in de weilanden rondom La Mongie. Wij laveerden tussen openslaande auto-portieren en heel veel Tour-supporters het wintersportdorp binnen. In La Mongie was fietsen uitgesloten, druk, druk, heel druk was het er. Lopend hebben we een plek gezocht om de Tour te aanschouwen. Voor een verslag van de etappe kun je hier klikken. Nadat Lance Armstrong aan Ivan Basso de overwinning schonk en we nog een 20-tal renners hebben zien finishen zijn we weer op de fiets gesprongen en moesten toen weer 5 kilometer met een hellingspercentage van 9 à 10 % stijgen naar de top van de Tourmalet. Een leuk toetje, want alle renners van de Tour werden via deze route naar Lannemezan gereden. We keken tijdens het fietsen Jan Ullrich recht in het gezicht toen hij in zijn T-Mobile auto hard toeterend zich een weg naar boven baande. De hele afdaling zaten we in verschillende politie-escortes die de volgauto's met de renners naar beneden reden. Voortdurend claxonerend werden wij 'a droite' gedirigeerd door de Gendarmes die stoer in hemdsmouwen met 70 à 80 km/uur op de motor naar beneden denderden. In deze kolonne werden wij met luid applaus als helden ontvangen in Barèges, waar de plaatselijke bevolking was uitgelopen om ook een glimp van de Tour op te vangen. Nadat ik een maximaal snelheid in de afdaling had geklokt van 67.4 km/uur moesten we nog een klein stuk naar de camping waar we nog een enorme 'kuitenbijter' van >15% moesten bedwingen om op het derde terras te arriveren waar ons basiskamp zich bevond. Snel de digitale foto's op de laptop van Ed bekeken om trots en voldaan met een koude Kronenbourg in de hand na te genieten van deze imposante dag. En zoals ik 10 jaar geleden al zei: De Franse Pyreneeën zijn heel erg mooi !! Daar is niets aan af te dingen. |
Klik voor groter formaat foto |
|
|
|
|
|
|
21 juli 2002 |
|
We hadden met elkaar een gezamenlijke vakantieweek
afgesproken in de Franse Alpen. |
|
|
Klik voor groter formaat foto |
|
|
|
|
|
|
|
23 juli 2002 |
|
Na
de Col de Iseran (2770m) is de Col de la Bonette (2715 m) de hoogste
doorgaande pas van Frankrijk. Om een nog hoger punt te creëren
werd later een nutteloze asfaltlus hoog in de bergen aangelegd.
Deze Cime de la Bonette op 2802m. was ons doel van deze dag. |
Klik voor grotere foto |
|
|
|
|
|
25 juli 2002 |
|
Eigenlijk was dit de berg waarvoor we naar
de Alpen gereden waren. Mario had er wat over gelezen en het was
dé Col voor ATB-ers. Op de camping zat iedereen al vroeg
aan een stokbroodje kaas en honing. Veel vocht werd ingeslagen.
De rugzakken gevuld en een beetje nerveus eerst infietsen over de
D900 naar La Condamine. Na een klein half uurtje reden we door Jausiers
en keken naar even naar rechts waar de weg naar de Bonette omhoog
kronkelde. |
Klik voor groter formaat |
|
|
|
|
|
|
27 juli 2002 |
|
Vlakbij het Lac Serre Poncon ligt een heel
venijnig klimmetje, de Col de Pontis. Slechts 5.5 km klimmen over
een heel smal geasfalteerd weggetje, maar wel voortdurend met een
stijgingspercentage van 10% of meer. Samen met Ed hebben we dat
colletje op onze laatste vakantiedag nog snel even gefietst. |
Klik voor groter formaat foto |
|
|
|
|
|
|
16 juli 2003 |
|
Een bekende Col uit de Giro d'Italia. Twintig
kilometer klimmen van ongeveer 200 meter naar de top op 1650m. Eigenlijk
moest ik vanaf de camping afdalen naar Trento. Maar 2 tunnels van
respectievelijk 800 en 1100 meter rechtvaardigde mijn besluit om
al eerder de bordjes Monte Bondone te volgen. Eerlijk gezegd had
ik nog nooit van deze Col gehoord. Pas na thuiskomst heb ik wat
over de fietsgeschiedenis gelezen. De weg voerde mij naar Sopramonte.
Daar kwam ik een stoplicht tegen en dat maak je niet veel mee. Het
stond op groen. Gelukkig maar, want afstappen hoort niet bij een
beklimming van een Col. De klim was lang, maar niet lastig. Borden
langs de weg hielden me goed op de hoogte. De hoogte nam wel fors
toe. Via Candriai, Vanezze, Norge en Vason kwam ik op de top. Onderweg
was me al opgevallen dat dit gebied hét wintersportgebied
van Trento was. Maar wat een vergane glorie. Alles zag er geblakerd
en verroest uit. De afdaling reed ik aan de zuidkant. Jammergenoeg
stopte mijn fietscomputer er op dat moment mee. Batterijen op??
De afdaling kende rechte stukken van ongeveer 2 kilometer en telkens
niet al te scherpe vloeiende bochten. Zo hoort afdalen te zijn.
Weinig remmen en voortdurend de wind dwars door de haren. De laatste
kilometers vanaf Lasino door het dal terug naar Monte Terlago. Tenminste
dat dacht ik. Het viel vies tegen. Een paar lelijke bergjes zorgde
toch nog voor een kleine hongerklop-aanval. Ik was genoodzaakt een
paar appeltjes uit een boomgaard langs de weg te plukken. Met nieuwe
energie maakte ik de klim van Vezzano naar Ciago af. En daarna nog
de beklimming vanuit Terlago naar Monte Terlago. Zelfs in het campingboek
van de ANWB staat aangegeven dat het hier om een weggetje gaat van
4 km met een stijgingspercentage van 13%. Op de camping direct het
zwembad ingedoken. Ongeveer een week later arriveerde Fietsclub
'De Platte Tube' uit België op de camping. Zij hadden een fietsweek
en de Bondone vormde de Koninginnenrit. Die heb ik dan maar mooi
in de tas zitten. |
Klik voor grotere foto |
|
|
|
|
|
21 juli 2003 |
|
De Paganella, een Italiaanse reus, die alleen op een ATB te bedwingen is. En zelfs met een ATB, was het een hele zware klus. Ik ontmoette Marco op camping Laghi di Lamar. We spraken af een keer samen een ATB-tocht te maken. Vanaf de camping lonkte het uitzicht en de top van de Paganella. We starten de beklimming in Margone (946m), een klein gehucht, waar we direct stevig aan de klim begonnen. Eerst een asfaltweggetje in het bos. We stegen in bijna 5 km meer dan 600 meter. Boven de boomgrens keken we uit over de Monte Gazza. De onverharde klim ging van 1549m via graspaden, zeer slechte rotspaden en profielbetonpaadjes over de Passo di Giovanni (1667m). De stijgingen hadden een sterke moeilijkheidsgraad, soms meer dan 20%. Sommige stukken kon ik echt niet fietsen. Aan het eind van de dag had ik een forse blaar op mijn hiel. Fietsschoenen zijn niet bedoeld om te lopen. Het uitzicht was de hele dag door adembenemend. Aan de ene kant de Brentagroep van de Dolomieten en de andere kant keek uit over het 'vallei van de meren'. In de verte was zelfs het Gardameer zichtbaar. We reden als het ware over de bergkam van de Monti Gazza. De Paganella bereikten we pas aan het begin van de middag. Op de top (2124m) hebben we een bord stevige pasta gegeten. De afdaling verliep moeilijker dan we dachten. Alleereerst maakte ik al een salto op een ski-piste. Ik had niet goed ingeschat dat zo'n piste heel steil is. De vierde afwateringsgoot werd me te machtig en mijn achterwiel was niet meer te corrigeren. Een aantal schaafwonden deed mij de rest van de vakantie aan de Paganelle denken. Even vond ik skiën makkelijker dan fietsen. Voor degenen die mijn skikunsten kennen was het goed dat die gedachte snel weer verdwenen was. Halverwege de afdaling had ik tijdens een rotsachtige, technisch moeilijke afdaling mijn handen vol aan het remwerk en mistte ik een afslag in de buurt van de Giovanni-pas. Marco en ik hebben een half uurtje naar elkaar gezocht. We kenden elkaar pas een paar dagen en hadden niet afgesproken wat we in dit soort situaties zouden doen. Gelukkig hebben we allebei de route teruggereden en roepend elkaar gevonden. Met kramp in de handen van het remmen bereikten we Margone weer. Zelfs de afdaling over de verharde weg was niet simpel. Vanwege veel kiezeltjes en omlaag gevallen dennenappeltjes moesten de 'tornantes' met beleid genomen worden. Op de camping bleken mijn Magura-remblokken aan vervanging toe. Ik heb het adres van Marco opgeschreven. Ik zal hem de foto's sturen. |
Klik voor groter formaat foto |
|
|
|
|
|
9 juli 2004 |
||
Tim Krabbé beschreef reeds de strijd in de Cols van de Cevennen in zijn roman De Renner. Lang geleden wist ik al dat ik daar ook eens wilde fietsen. Vandaag gaat het gebeuren. In de auto had Willy Deville mij met zijn "I 'm Going over the Hill" al inspirerend toe gezongen. In Pont-d'Herault haal ik mijn Sintesi uit de achterbak, fixeer de camelback op de rug, de camera op de buik en 'allez, en route'. Het begin naar Le Vigan is vlak, daarna begint de 21 km lange beklimming van de Col de Minier. Na 2 km zie ik een stel fietsers langs de weg staan. Het bleken Nederlanders. "Al boven geweest?", roep ik in het voorbijgaan. Nee, het was nu al zwaar vonden ze. Ik rijd daarentegen heerlijk naar boven. Alleen, dus geen strijd met mijn fietsvrienden en daarmee een hartslag die het allemaal goed bij kan benen. De berg stijgt zeer constant, telkens klim ik 50 meter per kilometer (overeenkomend met een stijgingspercentage van 5%). Ik had mij voorbereid op een zwaardere tocht. Op de Col de Minier (1264 m) blijkt het hoogtebord weggehaald, mogelijk gestolen door een Col-toerist. Ik moet het doen met een foto voor een monument ter nagedachtenis aan de gesneuvelden van Huntziger in de Tweede Wereldoorlog. Na een baquetje met kaas daal ik eerst nog een kleine 100 meter voordat de klim verder gaat. Op weg naar de Col de Séreyrède (1300 m). In L'Esperon neemt het stijgingspercentage eindelijk een beetje toe, maar vlakt weer af richting de top. De Séreyrède ben ik voorbij voordat ik er erg in heb. Ik zie opeens een bord waarop staat dat deze Col zich 3 km achter mij bevindt. Op de terugweg pas een foto gemaakt. Het bleek een driesprong waar de weg naar de Mont Aigoual doorklom, en de andere kant weer daalde richting Meyrueis. Opeens doemt in de verte op de top een Middeleeuwse burcht op, het Observatoire van de Mont Aigoual. Ook op deze top ontbreekt het bord met de hoogte, waar fietsers zo dol op zijn. Dan maar een alternatief bord waar wandelroutes opstaan: 1565 m. Ik heb een beklimming gedaan van 32.5 km met een gemidddeld stijgingspercentage van 4.4%. Inmiddels is de Mistral aardig aangewakkerd en verschijnen enkele donkere wolken. Het wordt fris. De afdaling is zelfs nog kouder dan fris. Het windjack helpt niet veel. Met kippenvel en zelfs klappertandend daal ik af. In L'Esperon duik ik de andere kant van de D986 op. Zo kan ik een echte ronde maken. Ik daal via haarspeldbochten naar Valleraugue. Dan langs de rivier de Herault op het grote blad achter 2 Franse wielrenners aan. Ik houd het tempo van boven de 40 km/uur ongeveer 4 km vol. Even rijdt ik zelfs op kop, maar bij een heel klein stukje vals plat ben ik gezien. De Fransen zwaaien me vriendelijk na. Ik fiets lekker uit naar Pont-d'Herault. Nog een paar foto's van de verkeersborden. De Col de Minier en de Mont Aigoual zijn 'ouvert'. Dat is mooi om te weten. In het dal is het zeker 20 graden warmer dan het eerste deel van de afdaling. Ik verlang alweer naar het zwembad op de camping. In de auto zingt Willy opnieuw: I'm Going over the Hill. Eigenlijk een fantastische bike-song. Ik neem me voor om binnenkort De Renner van Krabbé nog een keer te lezen. |
1264 meter |
|
|
||
|
Klik voor grotere foto |
||
|
|
|
|
|
|
18 juli 2004 |
|
De etappe in de Tour de France van 2003 naar Luz Ardiden herinnerde ik me nog goed. Dat jaar gingen immers Lance Armstrong en Iban Mayo tegen het asfalt, omdat de (inmiddels) 6-voudig Tourwinnaar met zijn stuur aan een tasje van een toeschouwer bleef haken. Dat moeten we zien te voorkomen vandaag. Edward, Frans en ik beginnen laat in de middag aan deze klim van 13 kilometer met een gemiddeld stijgingspercentage van 7.7%. Het startpunt is om de hoek van de camping. Al snel wordt duidelijk dat het weer 'strijd' gaat worden. We rijden hard door het eerste dorp (Sassis) heen en het tempo breekt ons al een beetje op, terwijl we het volgende dorp (Sazos) binnen rijden. Achteraf bleken de steilste stukken in het middendeel van de beklimming te zitten. Ook vandaag wordt het weer mistig. Telkens vertrekken we uit een zonovergoten dal en klimmen dan de wolken in. In 2002 was ik telkens als eerste op de top. Dit jaar moest ik in Frans mijn meerdere erkennen. In de Pyreneeën doet hij zijn bijnaam 'De Beer van de Dreeslaan' eer aan. Ik heb geen beer gezien, en ook Frans is steeds uit beeld als de top in de buurt komt. Eigenlijk is de beklimming naar Luz Ardiden saai. Weinig verkeer, weinig fietsers en eenmaal boven sta je opeens op een groot plateau, waar het in de winter een komen en gaan zal zijn van wintersporters op weg naar skilift of 'Billeterie'. In de mist kunnen wij weinig ontwaren. Het gebler van de schapen geeft het decor een onwezenlijke sfeer. Helemaal bizar is het moment dat de mobiel van Ed afgaat. Hij heeft een huiselijke ringtoon gedownload die we allemaal herkennen als we lekker in Nederland op de bank liggen. Het telefoontje is van William. Hij en Mario zijn aangekomen met de fietsbus. Aan het eind van de dag zullen ze zich bij ons vervoegen op de camping. Een passerende automobilist wil van ons nog wel een foto maken bij het bord van Luz Ardiden, met op de achtergrond half verscholen in de mist het potsierlijke wintersportgebouw. Daarna langzaam dalend naar beneden. Een bril dragende fietser heeft het druk tijdens het dalen. Bril schoon vegen en remmen. Handen kom ik tekort. Een paar dagen later ben ik nog een keer met Tim naar boven gereden. Hij wil op zijn Cube ook weleens een echte col bedwingen. Ik ben onder de indruk van zijn doorzettigsvermogen. De eerste kilometers stijgen toch met een hellingspercentage van 8 à 9 %. Na 2 km begint het te regenen en een kilometer verder horen we de eerste donderslagen. Onweer in de bergen. Je moet eigenlijk direct rechtsomkeer maken. Toch rijden we nog door. Het lijkt over te waaien, maar als een donderslag heeeeel dichtbij komt, keren we resoluut om. Tim heeft 6 van de 13 km gereden. We zijn 2 keer gestopt. Het bleek heel vermoeiend voor hem. Logisch voor een 14 jarige biker. Volgend jaar gaat het lukken. Welke col het wordt dat zien we nog wel. |
Klik voor grotere foto |
|
Klik voor grotere foto |
|
|
|
|
|
|
de Hautacam /
Col de Tramassel |
20 juli 2004 |
De Hautacam was de enige beklimmming die we dit jaar met z'n vijven deden. William en Mario waren met de fietsbus ook bij ons op de camping neergestreken en samen met Edward en Frans gingen we op weg richting Argeles-Gazost. De Hautacam stond diep in onze herinneringen gegroefd. Jaren geleden had Bjarne Riis zijn concurrenten diep in de ogen gekeken voordat hij soepel weg demarreerde en glorieus de etappe won. Dat Riis-gevoel wilden we allemaal hebben vandaag. Gezamenlijk begonnen we aan de klim en al snel brokkelden we uit elkaar. Het bleek een hele lastige beklimming. Het hellingspercentage wisselde sterk. We moesten van 6 naar 11 % en dan weer terug. Telkens het juiste verzet zien te vinden. Vanwege de onderlinge strijd werd er ook aardig doorgereden. Er moesten wel slachtoffers vallen. Halverwege de Hautacam trok het helemaal dicht. We reden de wolken in en in dichte mist moesten we de top zien te vinden. Dat valt niet mee voor een brildragende fietser. Mijn wijsvingers fungeerden om de 100 meter als ruitenwissers over mijn brillenglazen. Opeens was daar de top (1520 m). Hoewel top??? Tussen de mistflarden door zagen we dat het eigenlijk één groot parkeerterrein was. Wilde paarden begroeten ons en snuffelden aan onze fietsbanden. Langzaam aan druppelden we binnen. Edward liet lang op zich wachten en op het moment dat de mist optrok denderde hij het parkeerterrein op. We hadden niet eens tijd om te vragen of het gegaan was. Met enkele krachtermen definieerde hij de Hautacam als een 'niet-zo'n-prettige-berg'. De fiets werd neergesmakt en Ed beweerde dat hij nooit, maar dan ook NOOIT meer zou fietsen. Er was dus toch een slachtoffer gevallen. Ed daalde direct af en wij moesten met zijn vieren verder op zoek naar de Col de Tramassel. De col is voor het wielerpeloton niet bereikbaar. Dat begrepen wij wel toen we op een karrespoor met keien door Pyreneeënweiden en tussen schapen door naar een top probeerden te fietsen. We kwamen boven de wolken uit. Een imposant gezicht. Het bleek echter niet de Tramassel. Na veel navraag bij wandelaars werden we verwezen naar een pad dat eindigde in een prachtige asfaltweg, met vlak daarnaast een parkeerterrein met daarop snackbar Tramassel. De top lag nog geen 1.5 km verder dan het bord van de Hautacam (1635 m). We waren aan de verkeerde kant van het parkeerterrein omhoog gefietst. Maar juist op ATB's is zo'n tocht de moeite waard. Snel terug om Ed nog in het dal op te kunnen pikken. Hij was al verdwenen. Hard koersend door het dal passeerden we nog een strook met zacht, net nieuw neergelegd asfalt. Zuigend reden onze profielbanden er door heen. Ik moets opeens aan Frank van Rijn denken, de 'wereldfietser'. Hij schreef ooit in een van zijn boeiende fietsreisverhalen: "Hoe zachter het teer, hoe warmer het weer" (uit: Poort van de Maan-2002). In het dal klopte dat wel. De mist was in geen velden of wegen meer te bekennen en de zon liet ons aardig zweten. De Hautacam staat nog dieper in onze gedachten. Een mooie col, met een gemiddeld stijgingspercentage van 8% en vanwege het hoge fietstempo wel heel zwaar. |
Klik voor grotere foto |
Klik voor grotere foto |
|
|
|
|
|
|
de Vergio /
Bocca di Verghju |
24 en 30 juli 2005 |
We stonden met onze tent op camping Les Oliviers in Porto. Een terassencamping die gerund wordt door een corpulente onvriendelijke campingbaas. Vanaf de camping de Pont du Porto over, links af en klaar voor de directe start van de 34 km lange beklimming. De Corsicanen kennen geen Cols, maar noemen ze Bocca's. Deze Bocca di Verghju (Col de Vergio) is de hoogst toegankelijke col van Corsica (1467m). Een lange niet al te steile klim, met ongelofelijke uitzichten op rotsformaties en de azuurblauwe Middellandse Zee. De eerste 10 km gaan flink omhoog, langzaam kronkelend fiets ik naar de top van de Gorges de Spelunca, een ruig rotsgebied waar zich in de diepte veel wandelaars een weg banen langs het muilezelpad langs de rivier. Ik passeer een paar autowrakken die achtergelaten zijn in de bermen en ravijnen. Dat blijkt in Corsica een normaal tafereel te zijn. Na het eerste deel volgt een matig stijgend deel van 14 km, het dorpje Evisa blijkt een gemoedelijk wandelaarsdorp met veel hotels. De wandelaars die het chemin du gorges hebben volbracht zitten hier op de terrassen aan de Café Longes en enkelen al in de vroege ochtend aan het Pietra bier (Corsicaans speciaal biertje). In het dorp stijgt de weg weer meer tot aan de kruising naar Vicu. Vanaf dit punt verandert de omgeving drastisch; waren het eerst grillige rotsmassieven waar ik zicht op had, nu zijn het dennenbomen en sparren die mij welkome schaduw bieden. Zoals alle dagen die we op Corsica zijn, is het ook deze dag weer warm; meer dan 30 graden Celsius. Tijdens deze laatste 10 km wordt de weg bevolkt door vele koeien, geiten en vooral wilde varkens. Een aantal kleine biggetjes hobbelt een paar meter met me mee. De top bereik ik na precies 2 uur fietsen, een fraai uitzicht met in de verte het Lac de Nino. Zoals op iedere col zijn ook hier weer vriendelijke Corsicanen bereid om mij te fotograferen voor het bord van de Col. Jammer genoeg tref ik eerst een man die 2 foto's maakt waar ik slechts deels op sta. Gelukkig is in het digitale tijdperk de foto ter plekke te checken, zodat een volgende passant mij nogmaals vast kan leggen. Ik maak mij op voor het vervolg van de tocht, ik ga naar de Bocca di Seve. Zes dagen later fiets ik de Col de Vergio nogmaals op. Dit keer met Peter die naast ons op de camping is komen staan. Wederom warm, indrukwekkend en veel, heel veel varkens die ons tijdens de afdaling heel scherp hielden. Zonder kleerscheuren bereikten we Les Oliviers weer, waar onze norse campingbaas zoals gebruikelijk onze begroeting wederom negeerde. Later liet hij zich van zijn zwartste kant zien toen hij bij ons vertrek van de camping zowel bij Peter als bij mij probeerde het vooruitbetaalde reserveringsgeld niet van onze rekening af te trekken. Mocht je willen kamperen in deze wonderschone omgeving, wees op je hoede bij het afrekenen. Je kunt van dat geld beter een paar lekkere Corsicaanse Pietra-biertjes kopen. |
Klik voor grotere foto |
Klik voor grotere foto |
|
|
|
|
|
de Sevi /
Bocca à Seve |
24 juli 2005 |
Nadat ik de top van de Col de Vergio had behaald en met de afdaling van de D84 bezig was, kwam ik al snel bij de splitsing Ajaccio of Porto. Ik wist dat er nog een Col lag op de weg naar Ajaccio. Ik maakte de afweging of ik op tijd op de camping terug kon zijn. We wilden nog naar het strand. Natuurlijk had ik Porto moeten kiezen, maar ik dacht ik klim even snel de Col de Sevi op, is maar een klim van hooguit 7 km. Ik zwenkte naar links, de keuze was gemaakt, op naar de Sevi via de D70. Maar de weg ging niet omhoog, ik maakte vaart en bleek zeker 4 km te dalen tot het dorp Christinacce; later bleek ik van 1000 m naar 765 m te zijn afgedaald. Daar begon de klim naar de 1101 m hoge Bocca à Seve zoals de Corsicanen de pas noemen. Eigenlijk stelde de Col niet veel voor. Een bord, geen mensen, een paar varkens en een koe met een luid galmende bal om de nek. De foto moest dus met de zelfontspanner genomen worden. Het werd een beetje een Scheve Seve-foto. Maar de fiets, het bord en de fietser waren herkenbaar. Het bord van de Seve was trouwens helemaal doorboord met kogelgaten. Dat verschijnsel is bijna op ieder verkeersbord van Corsica te zien. Op de terugweg naar de splitsing naar Porto moest ik dus toch nog een paar honderd meter klimmen. Ik dacht een afdaling van 30 km te kunnen doen. Natuurlijk was ik weer een beetje later dan gepland terug op de camping. De tijdplanning van dit soort fietstochten gaat me niet geweldig af. |
KLik hier voor groter formaat |
|
|
|
|
|
|
de Battaglia /
Bocca di Barraglia |
21 juli 2005 |
Ik ging vlak voor het eten nog even snel een rondje fietsen, maar het werd wat langer. Een rondje van ongeveer 80 km. Eerst klom ik vanaf de camping via de N197 naar Belgodère, een prachtig plaatsje midden in de Balagne-streek. Bij de plaatselijke brandweerkazerne stonden een paar alerte ‘pompiers’ bij de wagen paraat om uit te rukken bij dreigende bosbranden en een aantal lag lekker op een stretchertje in vol ornaat een dutje te doen. Mijn indruk is dat een groot deel van de Corsicaanse bevolking ‘pompier’ is. Na Belgodère bleef de weg stijgen en ik bereikte na 14.5 km een naamloze col, die volgens de Michelin kaart de Col de Colombano bleek te heten (692 m). Even ben ik verder geklommen op een single-track maar toen ik een zwart briesend stiertje op mijn pad trof ben ik zonder nadenken omgekeerd en heb linea recta het asfalt weer opgezocht. Vlak voordat ik de N197 weer opreed kwamen drie Franse down-hilllers naar beneden denderen alsof ze op een ‘hallelujah-fiets’ een stadstochtje maakten. Ik verifieerde bij hen of ik via Olmi-Capella weer terug kon keren in Belgodère. Dat beelk te kunnen. Een adembenemende tocht volgde. Ik passeerde de Bocca Capana (844 m) en de Bocca a Croce (928 m). De cols die ik tot nu toe passeerde waren niet hoog genoeg om in De Col-lectie opgenomen te worden. Het doel van de dag was de Bocca di Barraglia. Een flinke klim, boven op de top (1099 m) trof ik een bord aan met de tekst Col de Battaglia, terwijl op mijn Michelin-kaart toch duidelijk stond dat het de Bocca di Barraglia moest zijn. Ik houd het maar op de Barraglia, op mijn fotootjes staat echter steeds Battaglia. De afdaling maakte veel indruk. Het dorp Speloncato waar ik de dag er voor al via de andere kant binnen gefietst was, lag prominent als een kop op een puist onder mij. Het dorp stak als het ware omhoog uit het berglandschap. Mijn hydraulische remmen bleken geen overbodige luxe in de steile afdaling. In het dorp had ik weer bereik zodat ik naar de camping kon bellen, om mijn vertraging door te geven. Op de terugweg vond ik nog een ‘opgezette’ geitenkop op een afrastering langs de weg. Later volgde er nog een paar. De achterliggende reden daarvan heb ik nog steeds niet begrepen. Via een relaxte vervolgafdaling langs vele imposante cactussen bereikte ik een uurtje te laat de camping. Omdat iedereen al aan ‘het toetje’ begonnen was toen ik aankwam, heb ik in mijn eentje moeten eten. Zo kreeg een prachtige bike-tocht toch een ongezellige keerzijde. |
|
Klik voor grotere foto |
|
|
|
|
5 augustus 2005 |
|
De dag er voor was ik de weg al met Tim en Peter ingeslagen. Tim wilde een echte Col beklimmen en de tocht naar l’ Ospedale leende zich daar goed voor. Jammer genoeg kreeg Tim last van zijn rug. Hij heeft mij tijdens de vakantie in lichaamslengte geëvenaard en zijn Cube is nu een beetje te klein geworden. Na 6 van de 13.5 km wilde hij omkeren. De volgende dag passeerde ik het punt op de D368 waar Tim keerde. Volgend jaar rijdt hij gewoon met me mee dacht en hoopte ik. Kronkelend baande de weg zich naar boven. Het dorp was de hele beklimming in de hoogte zichtbaar. Vooral in het dorp is de weg steil en vol met oneffenheden. Ik word gepasseerd door 3 toeterende autobussen en vlak daar achteraan een oudere Corsicaanse man op een Vespa, die mij luid psalmen zingend groet met opgestoken hand. Later op de ochtend zal ik hem nogmaals tegen komen. Terwijl ik het dorp uitrijd en over mijn schouder naar beneden kijk, zie ik daar heel scherp de spierwitte stranden van San Ciprianu en Polombaggia afgetekend liggen tegen het azuurblauwe water van de Middellandse Zee. Al snel passeer ik het stuwmeer waar naar het aantal afgezaagde bomen die vlak boven water uitstaken een weelderig bos gestaan moet hebben. Een paar kilometer verder bereik ik de Bocca d’Illarata, een Col van 991 m die vanwege de 1000 m-grens dus officieel niet wordt opgenomen in De Col-lectie. Het leven is keihard. Zonder noemenswaardige inspanning passeer ik de Bocca di Pelza (874 m) en via Zonza rijd ik op de D268 opeens tussen veel meer auto’s dan ik gewend ben op Corsica. Zeker 4 km onder de top van de Col de Bavella worden de automobilisten al door de Gendarmerie gemaand langs de weg te parkeren. Ik kan moeiteloos passeren, hoewel ik af en toe een blind geopend autoportier moet zien te ontwijken. Op de top is het een ware kermis. Er blijkt op deze 5e augustus een Maria-verering te zijn. Vandaar de drukte. Bij het Maria-beeld waren branden veel kaarsjes, en waxinelichtjes. In de provisorische kraampjes langs de weg waren de kaarsen te koop, evenals Mariabeeldjes in allerlei soorten en maten. Enkele passanten wisten me te vertellen dat er verderop in het bos een minuutje of 10 van de weg af een mis werd gegeven bij het kapelletje. Ik baande mij met de ATB tussen boomstronken oude mannen en vrouwen met veel wandelstokken heen. Opeens besefte ik dat ik geen rollator in heel Corsica heb gezien. Dat blijkt toch een Nederlands verschijnsel. Gelukkig maar want ik liep vast tussen de spekgladde stronken, een rollator had er nooit meer weggekomen. Bij het kapelletje bleek een openluchtmis te zijn en daar stond de Corsicaan die mij ’s ochtens al vanaf zijn Vespa had gegroet. Wederom zong luidkeels de psalmen mee. Ik had het wel gezien en nadat ik een foto door een fietsende Italiaan had laten maken (er was alleen een bord van de Auberge du Col de Bavella, geen Col-bord) begon ik aan een heerlijke afdaling. Ik besefte dat dit mijn laatste tocht op dit schitterende eiland was. Een dag later zouden wij met de veerboot van Basta naar Genua varen. Weemoedig trapte ik dezelfde weg als de heenweg terug. Ik weet zeker dat ik Corsica nog eens op ga zoeken. Voor bikers is het dit eiland een aanrader. |
Klik voor groter formaat |
|
|
|
|
|
17 juli 2006 |
|
We waren op 16 juli op een camping in Bout-du-Lac
aan het Lac d'Annecy neergestreken. Boven het meer hingen tientallen
parapenters die kleurrijk en scherp afstaken tegen de helblauwe
lucht en ogenschijnlijk uren op dezelfde hoogte konden blijven cirkelen
op de thermiek. De startplek van de parapenters bevond zich op een
zichtbare plek hoog in de bergen. 's Avonds werd duidelijk aan de
verlichting te zien, dat zich op die plek een huis bevond. Het doel
van de eerste fietstocht was bepaald: de Col de la Forclaz. De volgende
ochtend voor het ontbijt ben ik op de fiets gesprongen en het speciaal
aangelegde fietspad naast de camping opgereden. Dit pad bleek de
oude spoorlijn die ooit tussen Annecy en Albertville heeft gelegen.
Na 5 km gaf een bord aan dat ik de afslag moest nemen. Op de kaart
126 uit mijn losbladige Michelinboek had ik al aan de ingekleurde
rood-wit-geblokte weg gezien dat mij (volgens de Michelin-legenda)
een 'moeilijk of gevaarlijk traject' te wachten stond. Direct in
het dorp Vessone begon de weg al flink te stijgen. Drie pijltjes
op de Michelinkaart, het fietsen in de bergen is weer begonnen.
Hoewel ik nog niet echt ontbeten had (slechts twee Prosper ontbijtkoekplakken
had ik op de camping naar binnen gewerkt) kwam ik al vlot in mijn
ritme. Een jongen die een minuutje eerder de afslag had genomen
haalde ik gestaag in. Hij bleek een Hollander en had de klim de
dag er voor al gereden. 'Begin en eind steil en middendeel gaat
wel', kon hij me nog meegeven toen ik hem inhaalde. De D42 kronkelde
maar door naar boven en na 9 km bereikte ik na weer een stevig stuk
klimmen het dorp Montmin. Direct na het dorp daalde de weg en vertwijfeld
vroeg ik mij af of dit nu de top was. Maar de top had een naam en
die had ik nergens zien staan. Zeker een kilometer kon ik op het
grote blad lekker doortrappen en na een lange lus in de weg ging
deze uiteraard weer omhoog. In het Bergenspecial 2006 van het tijdschrift
Fiets las ik later dat de klim naar de Col de la Forclaz als 'gemeen
onregelmatig' werd aangeduid. Ik wist nu waarom. Echter toen ik
pakweg 200 meter aan het laatste deel van de klim begonnen was zoefde
de fietser die ik aan het begin van de klim zo soepel had ingehaald
me heel makkelijk voorbij. Hij kende de klim en had flink aangezet
in de korte afzink. Ik schakelde ook een tandje bij en kon tot op
een meter of tien van zijn achterwiel komen maar reed het gaatje
niet meer dicht. Twee plakjes onbijtkoek was toch een te sober ontbijt,
óf mijn Hollandse fietsbenen hadden nog niet het 'berggevoel',
of hij had gewoon de klim beter ingedeeld, wie zal het zeggen. Ik
kwam vlak na hem boven en hij begon direct aan de afdaling terwijl
ik nadat ik het bord met de vermelding van de col was gepasseerd
nog snel rechts omhoog naar het restaurant reed dat ik na een zeer
steil weggetje bereikte. Dit bleek het restaurant te zijn waar ik
de lichten van had zien branden op de camping. Nadat ik een paar
foto's van het uitzicht van het meer had gemaakt en mij bij het
bord van de col door een Alpenwandelaar had laten fotografen, ben
ik in vogelvlucht aan dezelfde kant del 11.5 km afgedaald. Op de
camping heb ik met 'gezonde trek' deel 2 van mijn ontbijt aangevallen.
De collectie is na een jaar weer uitgebreid. Op 22 juli 2008 ben ik nogmaals de zuidkant van de Forclaz
opgereden. Het is een lekkere steile klim die ik vanaf de camping
even snel voor het ontbijt kon rijden. Mijn afdaling (zuidzijde)
was een stuk rustiger dan een andere fietser die bijna vastgeplakt
aan de bumper van een auto naar beneden zoefde. Ik moest vanaf Montmin
langdurig heel hard remmen, kon de fiets weinig vrij laten lopen.
Mijn remblokken vonden het niet zo'n prettige col. Ik wel. |
Het meer van Annecy |
|
Klik voor groter formaat |
|
|
|
|
18 juli 2006 |
|
Er zat weer een opbouw in. Gisteren een col van 1157 m en vandaag op weg naar een hoogte van 1581 m. De Col de L'Arpettaz ligt iets oostelijk van de Col de la Forclaz. Vanaf Bout-du-Lac kon ik weer lekker warm draaien op het 'oude-spoorlijn-fietspad' dat vanaf Annecy richting Albertville voert. Na ongeveer 15 km hield dit fietspad op. Betonblokken en een duidelijk bord probeerden mij duidelijk te maken dat ik niet verder kon. Om de drukte van de N508 te vermijden reed ik toch gewoon door, er lag immers asfalt. Maar na een kleine kilometer hoorde ik cirkelzagen en sprong er een Franse wegarbeider de struiken uit die mij op niet mis te verstane wijze duidelijk maakte echt rechtsomkeert te maken. Op dat moment stortte vlak voor ons een behoorlijk zware boom op het fietspad. Nu geheel wakker stak ik de N508 over en pakte een parallelweg die naar Ugine voerde. Vanuit de eerste bebouwing van Ugine begon de klim van de Route des Montagnes. Ik volgde de westelijke beklimming naar de Arpettaz. Dit bleek een slimme keuze. Ik heb zelden zo'n mooi Alpenweggetje gereden. De weg was voortdurend niet breder dan 2 meter en er was vrijwel geen verkeer. Gedurende de bijna 16 km beklimming heeft slechts 1 auto mij gepasseerd. Verder rust, koeienbellen, ruisende veldbloemen en een zeer afwisselend terrein. Van weidevelden reed ik de bossen in, af en toe een huis en veel vergezichten naar het dal richting Annecy. Vooraf had ik de Michelinkaart bestudeerd, maar daar was niet uit op te maken hoeveel kilometer het tot de top was. Ik ging uit van 10 km. Maar daar bleek ik volledig naast te zitten. Het was een lastige col, lang en wisselende percentages, met soms een stukje van hooguit 5 á 10 meter waar de weg meer dan 20% klom. Het leek erop dat de weg van 2 kanten was aangelegd en ze niet helemaal uit waren gekomen bij de verbindingsstukken. Uiteindelijk was ik ruim een uur aan het klimmen en bedacht ik dat dit eigenlijk colletjes waren voor een spectaculaire Tour de France etappe. Maar de breedte van de weg en het ontbreken van een groot parkeerterrein op de top maakten dit onmogelijk. En eigenlijk zo realiseerde ik mij enkele minuten later was dat juist prettig. Op die manier blijft de rust gewaarborgd en rijden alleen 'toevallige' fietsers deze col op. Geen letters op de weg maar authentiek asfalt (of anders gezegd gaten en scheuren in de weg). Wel oppassen straks in de afdaling, nam ik mij voor. Op de top heb ik mijn appeltje en een muesli-reep gegeten. Geen enkel teken van leven op de top. Niemand die een foto van mij kon maken. Gelukig bood de zelfontspanner uitkomst. De steile, bochtige en verlaten beklimming van de Arpettaz kan ik iedereen aanraden die van rust houdt en over doorzettingvermogen beschikt. Jammergenoeg had ik geen tijd om door te rijden naar de Col des Aravis. |
De Route des Montagnes loopt vanaf Ugine helemaal door naar de Col des Aravis |
|
Klik voor groter formaat
|
|
|
|
|
19 juli 2006 |
|
Precies 2 kilometer hoog. Dat was mijn doel vandaag. Mijn koninginnenrit van deze vakantie. Om niet de hele dag op pad te zijn, nam ik de auto tot voorbij Albertville. Daar parkeerde ik de auto bij het kerkje van La Rochette aan de D213. Nadat ik twee keer het spoor kruiste begon geleidelijk de beklimming. Het was me direct duidelijk dat dit een echte berg was. Het eerste bord dat ik tegenkwam gaf aan dat de Col de la Madeleine nog 26 km verderop lag. Na de T-splitsing ging het echt beginnen. Boven de 10%, maar ik voelde me goed. Een grote groep wielrenners kwamen vlak achter mij uit de andere tak van de T-splitsing en begonnen achter mij aan de beklimming. In de buurt van La Thuile leek de weg zelfs te dalen. Vals plat of was ik alle gevoel voor stijging kwijt? Maar even later was er een klein stuk afdaling. Daarna ging het flink stijgen. Op dat moment probeerden 2 wielrenners van de grote groep bij mij aan te pikken. Het lukte slechts 1 van beiden. Hij (en de hele groep) kwamen uit de Elzas. Hij reed heel makkelijk en vertelde me dat we geluk hadden met het bloedhete weer. Het kon nogal eens regenen op de Madeleine had hij in voorgaande jaren proefondervindelijk ervaren. Zijn fietsmaat kreeg het niet voor elkaar om bij ons te komen. Voor ons doemden twee fietsers op, ontbloot bovenlijf en fietstassen op de bagagedragers. Toen ik ze achterop reed zag ik dat het AGU-tassen waren. Hollanders dus. De Fransman liet zich afzakken naar zijn maat en ik sprak de vakantiefietsers aan. Het bleken inderdaad landgenoten. Ze kwamen uit Haarlem en hadden er al 17 fietsdagen opzitten. En passant nog wat Zwitserse cols beklommen en nu op weg naar de top van de Madeleine. Daarna door naar de Middellandse zee zeiden ze vol vertrouwen. Ik toonde mijn diepe respect en wenste ze succes. Ik reed van ze weg, maar zij hielden een aardig tempo en het gaatje groeide maar langzaam. De grote groep Elzasrenners kregen het trouwens niet voor elkaar om ze voor de top bij te halen. Ik kreeg het zwaar, inmiddels meer dan 20 km bergop en het was zwaar, warm en drukkend weer. De laatste kilometers gaven een weids uitzicht. De top van de Mont Blanc zag als ik in haarspeldbochten achterom keek. Twee kilometer onder de top kwam de best klimmende Elzasrenner heel makkelijk naar me toe rijden. Hij had zijn maat definitief verlaten en reed soepel naar de top. Ik pikte aan, maakte een praatje, maar besloot mijn mond te houden en alle resterende energie in het trappen te stoppen. De Elzasrenner moest ik de laatste kilometer laten gaan. Boven op precies 2000 meter hoogte was het druk. Veel fietsers en marktkramen. De Mont Blanc was ondanks de opkomende bewolking goed zichtbaar. Een ouder echtpaar nam foto's van me met mijn camera en ik besloot af te dalen. Geen windjack aan, ik had behoefte aan verkoelende wind langs mijn lijf. Toen ik aan de ruim 26 kilomter lange afdaling begon, kwam ik vlak onder de top de Hollandse fietsers tegen en wenste ze een goede reis. De Elzasrenners passeerde ik en besefte dat ik goede benen had vandaag. Een lange beklimming op één van de warmste dagen van het jaar had ik met een goed gevoel en tempo voltooid. De afdaling was heerlijk, lekkere lange stukken, hoge snelheid en heerlijk koel. Bij de auto heb ik minutenlang mijn hoofd onder een waterpomp gehouden en 3 bidons heel koud water getapt en in grote teugen leeg gedronken. Fiets achterin de auto en de terugweg voortdurend zitten denken aan de koude Kronenbourg-biertjes die ik op de camping klaar had staan. |
Klik voor groter formaat |
Op de terugweg van de Col de la Madeleine, uitzicht op de besneeuwde toppen van de Mont Blanc
|
|
|
|
|
5 augustus 2007 |
|
Vanaf de camping
in Angera moest ik die zondagochtend eerst de zuidpunt van het Lago
Maggiore rondfietsen om ‘de Mottarone’ te kunnen bereiken. Er stond
me een tocht van meer dan honderd kilometer te wachten. Terwijl
ik de brug van Sesto Calende naderde zag ik op de brug een peloton
goed gesoigneerde Italianen fietsen. Ik dacht even aanzetten en
ik pik aan en laat me heerlijk naar Stresa rijden. Het gat werd
gedurende een kilometer steeds kleiner en op 200 meter afstand zag
ik opeens een van de Italianen een enorme smak maken. De ene helft
van het peloton had netjes de ventweg gepakt, maar de andere helft
bleef op de hoofdweg fietsen. Een automobiliste kon te laat uitwijken
en duwde hem tegen een verkeerspaaltje. Ik hoorde hem bij het passeren
flink jammeren. Zijn vrienden hielden zijn nek vast. De ambulance
werd gebeld door een toegesnelde buurtbewoner. Ik besloot direct
om verder alleen door te fietsen en het wilde rijgedrag van de Italianen
te laten voor wat het was. Ik had van Arona tot aan Lesa samen met
een wielrenner in origineel Bianchi shirt gereden. Stijlvol shirt
en stijlvolle renner. Met mijn Racing Ralph en Nobby Nic als profielbanden
maakte ik met mijn Sintesi veel lawaai en indruk op de Italiaanse
wegen. We hadden er goed de vaart in en passeerden veel zondagochtendfietsers.
Wielrenners blijven voor mij ieder ritje weer als een aantrekkende
rode lap fungeren. Daarom kon ik het niet laten toen een groepje
van 7 Italianen mij in goed tempo passeerde. Ik klampte aan en reed
met ze mee, volle tegenwind richting Stresa. Niet echt slim als
je nog een zware beklimming moet gaan doen, maar het rijdt wel lekker
in die volle slagorde. In Stresa bedankte ik de mannen vriendelijk
voor de moeite en ik had nog niet ‘Ciao’ naar ze geroepen of ik
moest al gaan staan op de pedalen om de eerste klimmeters te overleven.
De klim begint direct. Stresa uitrijdend kreeg ik al bemoedigende
blikken van Italianen op weg naar hun zondagochtendmis. Ik had nog
21 kilometer tot de top te gaan las ik op de bekende bruine ‘col-borden’.
In Vezzo begreep ik waarom men de Mottarone een zware beklimming
vindt. Het voelde aan als de Keutenberg. De Mottarone wordt als
een trap beklommen had ik laatst gelezen. Daar was niets van gelogen.
Via Gignese kwam ik in Alpino (mooie naam voor een bergdorp) waar
de weg weer traptredes nam met flinke stukken van 16%. Daarna een
paar kilometer slechts zeer zwak stijgen, misschien zelfs vlak.
Dat drukt het stijgingspercentage, waardoor de totale klim een gemiddelde
stijging had van 6.7%. De weg ging over in een tolweg. Ik kon om
de slagboom heenrijden, fietsers mochten gratis naar boven. Op dat
deel kreeg ik het zwaar. Had ik langs het meer te veel gegeven,
was ik niet in vorm |
Klik voor groter formaat |
Uitzicht
vanaf de top
|
|
|
|
|
de Aravis |
24 juli 2008 |
Nadat ik twee jaar geleden aan de voet van de Aravis had gestaan en het tourpeloton had aangemoedigd, wilde ik vandaag die col zelf fietsen. Het was de touretappe geweest waar later Floyd Landis solo naar winst reed en daarna vanwege doping zou worden gediskwalificeerd. Ik wilde aan dezelfde kant de berg op, dus koos om vanaf mijn camping, aan de zuidpunt van het Lac d’Annecy, eerst het fietspad richting Albertville te volgen om daarna bij Ugine de N212 door de Gorges de l’Arly te fietsen. Een drukke en langzaam klimmende weg richting Flumet. Twee jaar geleden stonden we aan de uitvalsweg van Flumet de tourkaravaan aan te moedigen. Die herinnering gaf een goed startgevoel. Het dorpje liet ik achter me en daar waar ik twee jaar heb gedacht dat de weg na het bord ‘col des aravis ouvert’ gestaag omhoog zou klimmen, moest ik wachten met de echte klim tot voorbij Manant. In La Giettaz begon die dag een cultureel zomerfeest met traditionele muziek, veel panfluiters staken vlak voor me over naar een enorme feesttent op het middenplein van het dorp. Ik besloot met grenzeloze zekerheid geen stop te maken bij de feestgangers; ben niet zo’n panfluitliefhebber. Niet alleen het muziekfestival ook de klim was hier nu echt begonnen. Ik werd ingehaald door een groep ‘dansende’ Franse wielrenners die de klim vaker hadden gedaan. Aanklampen was niet mogelijk terwijl ik zelf toch een goed tempo kon rijden. De laatste 4 km zitten vol met haarspeldbochten, eigenlijk is dit het lastigste deel van de klim. De top bereikte ik echter met gemak. Schuin achter me stak de Mont Blanc scherp af tegen een felblauwe lucht. Op de top de gebruikelijke drukte, natuurlijk terrasjes met uithijgende fietsers en drukgebarende motorrijders die hangend in de bergbochten ook de top hadden gehaald. Een klein kapelletje in een alpenwei gaf op deze col een mooi contrast. Op de houten hekken rondom het kapelletje hingen koeienvellen te wachten op potentiële kopers. Nieuwsgierige koeien liepen langs de hekken, wellicht in de wetenschap dat hun huid daar over een tijdje ook zou kunnen hangen. Na het fotootje van het bord met ‘Col des Aravis 1498m’ voor de website ‘de Col-lectie’, vervolgde ik mijn weg. Het was warm, dus een windjack was in de afzink niet nodig. Een korte afdaling, want na 5 kilometer in de richting van La Clusaz sloeg ik de D16 in op weg naar de Col de la Croix-Fry. De klim naar deze col was een stuk rustiger, geen medefietsers, weinig ander verkeer en veel skistations met stilstaande skiliften. De top van deze col (1477m) deed me denken aan de Monte Bondone in Italië, een enigszins uitgestorven nederzetting boven op een berg waar het in de winter een stuk drukker moet zijn. Twee Engelse fietsers stopten voor een praatje, ze hadden de Croix-Fry vanaf de andere kant beklommen. Hun klim werd mijn afdaling. Een heerlijk lopende weg, 12.5 km lang met een schitterend zicht op alpenweide waar steeds meer bedrijvigheid plaats vond. Ooit ga ik de klim van de Croix-Fry nog eens via deze zuidzijde doen. Na de T-splitsing vervolgde ik mijn weg over de D12 waar ik ‘en passant’ de Col du Marais passeerde. De Marais, een col van 843 meter is vanwege te geringe hoogte geen col voor ‘de col-lectie’: 1000 meter is daarvoor de ondergrens. Via Serreval bereikte ik bij Faverges weer het fietspad richting Annecy en kwam ik na iets meer dan vier uur terug van een rondje van bijna 100km. Nog fris van de tocht dook ik voor een frisse duik het azuurblauwe meer van Annecy nog even in. Ook in 2008 kan ik weer een col toevoegen aan mijn collectie. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
21 juli 2009 |
|
Het komt niet vaak voor, een weggetje naar een col boven de 1000 meter die start recht tegenover de campingingang. Voor het ontbijt besloot ik de col te beklimmen. Het nadeel van een col zo dichtbij is dat ‘infietsen’ er niet inzit en zeker niet als je na het tochtje nog gezellig wilt ontbijten. Dus dan direct de col maar op. Marlens was een uiterst rustig dorp. Op de uitvalsweg richting de Col de ‘Epine zaten vrouwen te wachten op de muurtjes voor hun huizen. Later bleek dat zij allemaal op de plaatselijke bakker zaten te wachten. Hij leverde brood aan huis. Toeterend passeerde hij mij, enerzijds ter waarschuwing maar ook o zijn klanten van zijn komst op de hoogte te brengen. De achterdeur van zijn oude Renault 4 stond open en de warme baguettelucht kwam mij tegemoet waaien. Niet de ideale lucht als je nog moet ontbijten. Maar ik vermande mij en klom het toch wel stevige colletje op. Ik passeerde wat plaatselijke oudere renners op hun racefiets. Mijn ATB met zijn supergladde Schwalbe Kojak banden maakte onbedoeld indruk op hen, zo hoorde ik later van hen op de top. Wat een rare dikke banden waren dat, daar zou een Fransman nooit mee gaan rijden beweerde ze stellig. De Col de l ‘Epine was weer zo’n specifieke Savoie-berg, erg groen, pittig en gewoon heel mooi. De plaatselijke renners maakten de voor De Col-lectie belangrijke foto op de top en daarna reed ik verder richting Le Bouchet. Op de kaart had ik al gezien dat ik via Serraval en Saint Ferréol weer in ons dal terug kon komen. Het bleek een fantastisch rondje. Zo mooi dat ik nog twee ochtenden hetzelfde rondje gereden heb. Een aanrader, zeker als je weet dat er op de camping een heerlijk warm Frans ontbijtje wacht. Bon appétit! |
|
|
|
|
|
|
22 juli 2009 |
|
Terwijl de renners van de Tour de France 2009 zich in Bourg-Saint-Maurice opmaakten voor een etappe over 4 cols van de 1e en een col van de 2e categorie, vertrokken Peter en ik vanaf de camping in Marlens voor onze etappe. Met een strakblauwe lucht en zicht op de besneeuwde Mont Blanc reden we over het -tot fietspad omgedoopte- oude treinspoor richting Ugine. Daar wilden we via een klein weggetje over een colletje een flink stuk van onze route afsnijden. De Col de Forclaz (alweer een Forclaz, er blijken er 3 in elkaars nabijheid te liggen, was goed te doen, maar er lag veel steenslag en mijn vlak voor de vakantie gemonteerde supergladde Schwalbe Kojak-banden hadden daar een enorme aantrekkingskracht op. Met mijn hand regelmatig de voorband (makkelijk) en achterband (moeilijk) schoonvegend bereikten we de top (870 m.). De benen waren weer aan het klimmen gewend geraakt. Vlak voorbij Queige reden we de D925 op. Nog een kleine 10 kilometer langzaam klimmend naar de voet van de Col des Saisies. Steeds duidelijker werd dat we een touretappe naderde. Bussen vol Belgen, Spanjaarden, Nederlanders maakten zich op voor een lange wandeling naar een plek op het parcours. Wij wilden voordat het hele peloton zou naderen met de fiets de top bereiken en daar de renners aan gaan moedigen. We passeerden een dranghek en reden op ‘het parcours’. Jammer genoeg sommeerde de eerste gendarme die we tegenkwamen ons te gaan lopen. Onze uitleg dat het vreemd was om uren voorafgaand aan een touretappe met een fiets naar boven te WANDELEN was niet aan hem besteed: ”Á pied messieurs!!”, klonk het redelijk dreigend. Peter gaf direct aan zijn oproep gehoor, maar ik reed direct na het eerste bochtje weer gestaag omhoog. Een tweede gendarme was minder stellig en kon klimmend verder -langs veel uitbundige tourfans- richting de top. Halverwege ging het echter regenen en niet lang daarna heel hard rommelen en bliksemen: onweer! Niet mijn favoriete weer. Ik besloot even bij een Belgische camper onder de luifel te gaan staan. Na een korte stop ging ik verder en reed mee in het wiel van een paar Amerikanen. Stevige klimmers. Na een korte afzink herpakten we ons klimritme, de onrust bij het publiek nam toe, de reclame karavaan naderde. Opeens schalmde er een megafoonstem in mijn oor: “Arrête maintenant s’il vous plaît” en het bleek opnieuw een gendarme, maar nu vanuit het raampje van zijn blauw busje; direct daarachter ontwaarde ik de grote gele tourmascotterenner, ofwel de eerste karavaanauto. Er zat niets anders op dan petjes, Haribo snoepjes en sleutelhangers te rapen die uit de karavaan gegooid werden om de tijd te doden. Nadat de karavaan gepasseerd was klom ik weer snel op de fiets. Het publiek moedigde enorm aan, weinig fietsers hadden mijn voorbeeld gevolgd, dus die aandacht voelde heel persoonlijk. Helaas 500 meter voor de top stond een zeer besluitvaardige agent die mij en zo bleek later alle volgende fietsers resoluut van de fiets haalde en dreigde met bekeuringen indien we onverhoopt toch verder zouden willen rijden. Ik koos eieren voor mijn geld en na een half uurtje zag ik Thor Hushovd in zijn groene trui als eerst langs rijden. Het moet niet gekker worden -dacht ik- als sprinters als eerste op cols boven gaan komen, maar het bleek een geniale zet van Thor om zijn groene trui veilig te stellen. Het peloton kwam verbrokkeld langs en na ruim 12 minuten Kenny van Hummel, eenzaam en luid bejubeld, die- zo later bleek- zijn laatste berg beklom, want in de afdaling van de Saisies kwam hij lelijk ten val en moest de Tour verlaten. Direct nadat Kenny gepasseerd was kon ik de laatste meters afleggen. Trots bereikte ik de top, maakte mijn foto’s en wachtte op Peter. Nadat we een crêpe gegeten hadden daalden we af naar Flumet en kronkelde na een paar scherpe haarspeldbochten het dorp binnen. Hier had ik eerder al gefietst. De afdaling richting Ugine ging hard, we haalden campers in en pas op het fietspad richting Marlens kwamen we tot rust. We waren nog mooi op tijd om op TV te zien hoe Fränk Schleck in de eindsprint Alberto Contador en Andy Schleck aftroefde. De koninginnenrit van 2009 zat er op. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Als je geen navigatiebalk en frames ziet, klik dan hier